marc vanrunxt

In dialoog met anderen

Julie Rodeyns, HART januari 2012

Onder de noemer ‘Marc@Monday’ wijdt kunstencentrum Monty zes maanden lang telkens één maandagavond aan Marc Vanrunxt. Al twintig jaar lang tekent deze Antwerpse choreograaf een boeiend en steeds verrassend artistiek parcours uit. ‘Marc @ Monday’ is een moment om stil te staan en terug én vooruit te blikken. Ouder werk wordt in een nieuwe context geplaatst en nieuwe creaties worden aan repertoirestukken gespiegeld.

Julie Rodeyns

Vanrunxt laat zijn werk vaak ontstaan in dialoog met anderen. Choreografieën beitelt hij op het lijf van een specifieke danser en ook met andere kunstdisciplines zoekt hij uitwisseling. Ook dat aspect komt tijdens ‘Marc@Monday’ ruim aan bod. De reeks start met ‘dieper’ (2003), een filmportret van Vanrunxt door Anne-Mie Van Kerckhoven en sluit af met (onder andere) een interventie door beeldend kunstenaar Koenraad Dedobbeleer. Met die laatste heeft Vanrunxt een bijzondere band. Al tien jaar werken ze op geregelde basis samen.

Tien jaar samenwerking, hoe is dat ooit gestart?

Marc Vanrunxt: “In 1998 zag ik tijdens de eindejaarstentoonstelling van het HISK werk van Koenraad. Er was een herkenning. Ik zag in zijn werk een mogelijkheid tot theatraliteit, een interesse in ruimtelijkheid en in de organisatie van de ruimte. Ook bleek hij fel bezig met de tijdelijkheid van dingen – op de grens tussen monumentaliteit en fragiliteit. Het ongrijpbare, het ontastbare: dat is ook mijn terrein.”

Koenraad Dedobbeleer: “Zelf had ik toen niet zoveel notie van hedendaagse dans. Ik was nog erg jong en vooral mono-gefocust. op uitnodiging van Marc ben ik toen naar een voorstelling van hem gaan kijken. Sindsdien heb ik geen enkel werk van hem gemist. Een voorstelling maken ligt voor mij trouwens niet zo heel veraf van een tentoonstelling maken. Ook dat is een tijdelijke associatie van objecten, die je op een bepaalde manier in tijd en ruimte organiseert. Weliswaar blijven de objecten nadien wel bestaan, natuurlijk.”

Hoe organiseert jullie samenwerken zich concreet?

Dedobbeleer: “Ik herinner me dat ik bij onze eerste samenwerking een zekere angst had om iemand op te zadelen met een ‘ding’. Ik wou iets destilleren dat zijn plaats had, dat verantwoord aanwezig was. Daarom vroeg ik Marc of ik repetities kon bijwonen. Dat is onze werkmethode gebleven: zodra Marc zich klaar voelt om de repetities te openen, ben ik erbij.”

Vanrunxt: “Waar Koenraad concreet mee afkomt weet ik vaak pas op het allerlaatste nippertje (lacht). Maar onze samenwerking gaat veel breder dan enkel de materialisatie van het werk in kwestie. Het is mij niet te doen om een ‘vertalen’ van één medium naar een ander, wél om een mentaliteit, een manier van denken, het uitwisselen van ideeën.”

Dedobbeleer: “Je zou ons samenwerken kunnen samenvatten als een vorm van een gesprek. Dat gesprek neemt een lange aanloop. Op dit moment praten we bijvoorbeeld al over een voorstelling voor 2014. Gewoonlijk gooit Marc als eerste wat elementen op tafel, zonder daarin dwingend te zijn. Dat vormt de kiem voor dialoog en discussie. Hij is de kapitein, hij stuurt het proces, maar in de discussie gaat het om de argumenten en staan we op gelijke voet. Vanuit die gesprekken gaan we vervolgens elk apart aan de slag.”

Tien jaar is erg lang, weten jullie elkaar nog te verrassen?


Vanrunxt: “Mijn drijfveer is nieuwsgierigheid. Ik werk graag met mensen samen en heb het geluk dat interessante mensen mij vaak spontaan contacteren. Soms ben je na één samenwerking uitgepraat – wat trouwens niet negatief is – maar met Koenraad heb ik het gevoel dat we nog steeds niet uitgepraat zijn. Er lijkt trouwens een evolutie te zitten in wat we doen (lacht).”

Dedobbeleer: “Aanvankelijk bleef ik met mijn interventies dicht bij de grond, werkte ik met de vloer. daarna kwam ik mee als persoon op de bühne terecht en in onze laatste samenwerking, ‘Zeit’ (2011) werk ik met hangende en zwevende objecten.”

Laten jullie elkaar alle vrijheid of zijn er toch beperkingen?


Vanrunxt: “Koenraad bemoeit zich niet met de choreografie, enkel het scènebeeld. Fysieke belemmeringen zijn uit den boze. Een object dat de dansers dragen: dat is bijvoorbeeld iets dat we tot nog toe uit de weg zijn gegaan. Het zou een ander werkproces vragen, we zouden dan daarmee moeten starten. Net zoals de kostuums ook altijd van bij de eerste repetitie aanwezig zijn, omdat dit een lichamelijke impact heeft: dansers moeten zich er goed in voelen, moeten ermee aan de slag kunnen.”

Tot nog toe situeert jullie samenwerken zich bijna uitsluitend binnen de podiumwereld. Nooit gedacht om samen binnen de ‘white cube’ van de beeldende kunsten aan de slag te gaan?

Dedobbeleer: “Op basis van het scènebeeld van ‘Deutsche Angst’ (2005) hebben we al eens een film gemaakt. In die voorstelling volgt de scenografie onder de vorm van een groot kleurvlak letterlijk de danser, de choreografie. We hebben dit in de publieke ruimte herhaald. Dat is toen gewoon gebeurd, we zoeken dit zeker niet op.”

Vanrunxt: “Ik heb al in een museale context gedanst, bijvoorbeeld in het M hKa. Daardoor wordt wat ik doe niet iets anders. Het verschil tussen dans en beeldende kunst zit hem niet in de kunst an sich maar in de perceptie, de hiërarchie die de kunstwereld tussen verschillende genres schept.”

Is artistieke samenwerking en uitwisseling voor jullie dan een evidentie?


Vanrunxt: “Toen ik in de jaren 80 begon had ik het naïeve, misschien romantische idee dat iedere kunstenaar interesse had voor het werk van anderen. Kijk maar naar iemand als Picasso, die ook kostuums en decors voor voorstellingen ontworp of naar het trio Cunningham, Cage en Rauschenberg. Ondertussen ben ik erachter dat dat niet zo is, integendeel. Er wordt wel samengewerkt maar vaak op artificiële wijze. Toch kan ik mij daar niet mee verzoenen. Misschien heeft een en ander iets te maken met het idee-fixe van ‘pure, onafhankelijke kunst’. Mij is dat idee totaal vreemd, dans bestaat enkel als onpure vorm en leeft bij de gratie van beïnvloeding.”

Dedobbeleer: “De wereld is tegelijk groter én kleiner geworden. De kunsten hebben zich ontwikkeld in verschillende niches en elke niche plooit steeds meer op zichzelf terug. De idee van een pure kunst is een naïeve gedachte die ik alvast evenmin als Marc deel. Natuurlijk creëer ik mijn werk voor theater in een andere context. Een object voor een voorstelling kan je niet zomaar naar een tentoonstelling verplaatsen. Ik werk ook vanuit een andere houding: in de theatercontext heb ik een meer dienende rol. Niettemin vind ik wat ik daar doe even valabel en interessant als mijn werk binnen de ‘vrije ruimte’ van de Beeldende Kunst.”

Marc Vanrunxt, ‘Marc@Monday’, op 23 januari, 20 februari, 26 maart, 23 april, 21 mei en 4 juni in Kunstencentrum Monty, Montignystraat 3, Antwerpen. www.monty.be