marc vanrunxt

Marc Vanrunxt - Dans is een weefsel

Lieve Dierckx, Concertgebouwcahier 2009

De focus van mijn fascinatie voor dans is in de loop van mijn carrière sterk veranderd.

In het begin had ik vooral behoefte om mezelf uit te drukken – ik noem het mijn dagboekfase. Later is het brandpunt verschoven  naar het verkennen van de mogelijkheden van het medium dans. En dat ging samen met de ontdekking van het publiek.

‘Het’ publiek bestaat natuurlijk niet.   Een publiek, dat zijn allemaal individuen die ik elk individueel wil aanspreken op mijn voorwaarden.  Dat klinkt misschien arroganter dan wat ik bedoel, ik wil hen aanspreken met mijn manier van kunstenaar zijn. In dat contact met het publiek gaat het de laatste jaren over voortdurend aftasten, opstretchen, zoeken naar  grenzen en mogelijkheden.

Fascinatie voor muziek

Kijk, we weten allemaal hoe het wél kan. Er zijn een aantal wetten en regels die evengoed gelden  als je  een hit wil maken in popmuziek.  Ook in hedendaagse dans weten we ongeveer hoe een voorstelling er kan of moet uitzien. Maar zelf ben ik voortdurend heel erg bezig om die wetten en regels niét toe te passen.   Ik wil er aan voorbijgaan, steeds blijven zoeken naar nieuwe wegen, net om te communiceren met het publiek. We weten ook heel goed wanneer iets mislukt - door iets heel saais, taais of oninteressant te maken.  We weten evengoed hoe we het publiek kunnen choqueren of provoceren of de zaal uitjagen.  Maar ook dat is absoluut niet mijn ambitie.

Mijn fascinatie voor de muziek van Morton Feldman kan misschien verduidelijken waar het voor mij in dans om gaat. Voor veel mensen is die muziek nog steeds erg moeilijk. Maar het  gevoel voor tijd dat hij oproept is iets dat nog altijd ruimte laat voor exploratie, het gaat om een proces dat nog niet is afgelopen, nog niet voldongen.  In mijn voorstellingen probeer ik op dezelfde manier vormen, structuren  en beleving van tijd af te tasten.

Dat ik nieuwe muziek gebruik maakt mijn voorstellingen wellicht niet eenvoudiger. De appreciatie voor hedendaagse muziek ligt zo mogelijk nog moeilijker dan voor hedendaagse dans. Serge Verstockt van Champ d’Action - het hedendaagse muziekensemble waar ik vaak mee samenwerk - kan je daar alles over vertellen. Er wordt heel weinig nieuwe muziek geschreven.  Blijkbaar is er in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw op het vlak van nieuwe muziek zoveel gebeurd, dat er nog steeds verteerd moet worden. Naar veel werk uit die periode moeten we nog léren luisteren.

De muziek van Robert Ashley in mijn recentste voorstelling, Extraction (2009) is nog een voorbeeld om uit te leggen wat ik in dans probeer te doen.  Toen ik zijn muziek koos voor de voorstelling was ik bang dat ze beschouwd zou worden als een provocatie. Veertig minuten lang naar een opsomming van namen luisteren is niet vanzelfsprekend. Maar het publiek voelde dat niet zo aan. Volgens mij raakt deze muziek, blijft ze interessant en mooi omdat - dat weet ik zeker - Robert Ashley ze in 1972 ook niet als provocatie bedoeld heeft, wel als een verkenning van grenzen, een verlangen naar ‘anders’,  maar zonder vernieuwing omwille van het nieuwe. Hij is trouw aan zijn eigen principes, en van daar af onderneemt hij een poging om verder te gaan in de notie van wat muziek kan zijn. Als choreograaf werk ik op dezelfde manier.  Muziek als die van Robert Ashley geeft me ook vertrouwen, en moed om verder te gaan. Net omdat het niet evident is.  Hij geeft op een goede manier een gevoel dat er iets overwonnen is, dat er een stap vooruit gezet is.  En hoewel je blijkbaar niet meer zo mag denken, geloof ik toch heel erg dat het in kunst gaat om stappen vooruit zetten, een berg opklimmen. Door te durven.

In de studio ben ik een veel grotere held dan tijdens een voorstelling, dan sta ik doodsangsten uit met in mijn hoofd een beeld van mensen die en masse buitenlopen. Elke voorstelling.  Maar in de repetities moeten mijn dansers nog hoger, nog verder of net nog minder en nog veel trager, al naargelang (lacht).

Missie voor dans

Ik zie het als mijn missie om de acceptatie van hedendaagse dans als autonome kunstvorm te promoten, tegenover de massa dans die gemaakt wordt als entertainment of als divertissement - waar tussen haakjes ook belangrijke en mooie dingen kunnen gebeuren. Het belang van hedendaagse dans is voor mij eenvoudiger uit te leggen aan de hand van wat andere mensen doen. Neem Works by 3/1 (2008) van choreograaf Jean-Luc Ducourt bijvoorbeeld, dat zit er zo recht op. Het bewegingsmateriaal dat hij gebruikt is heel vertrouwd (noot: basispassen uit ballet) maar via vorm, structuur en timing gaat hij met een voorstelling recht naar de essentie van waar het in goede hedendaagse dans om gaat, een essentie die nooit echt te benoemen valt. Het geheel zorgt voor een diepe ervaring, alles is er zo helder, de juiste vorm, de juiste structuur én ook de juiste présence van de dansers. Dat is erg zeldzaam.  Het heeft me ontroerd, ook door een soort van herkenning, want wat hij doet is, met mijn eigen middelen en met een heel ander bewegingsmateriaal, is ook mijn streven.

Want ja, je hebt toch heel vaak een erg eenzaam gevoel als maker terwijl er toch de dansers zijn die je steunen en meedenken en die, eens  de klik gemaakt, zelf dieper en verder en mij vervolgens mee verder sleuren, in de goeie richting bedoel ik (lacht). Eva Kamala Rodenburg heeft Extraction vanaf de eerste repetitieweek opgepakt en naar een hoger niveau getild, en mij daardoor ook. Een hele mooie samenwerking is dat, als  je elkaar optilt waardoor je ook het publiek kan gaan optillen, wat toch een beetje de bedoeling is.

Nu ik zelf niet meer meedans kan ik meer aandacht besteden aan de inbreng van iedereen die meewerkt. De voorstelling zie ik als een weefsel waarin ik niet alleen de dansers wil laten schitteren, maar ook de muzikanten en de beeldende kunstenaars met wie ik samenwerk.  Het is een proces van gelijkwaardigheid ten dienste van de choreografie, van de compositie, van de ervaring. Ik zoek die gelijkwaardigheid ook op  om frictie teweeg te brengen, om te botsen,  om te verhevigen, alles te meerdere eer en glorie van het geheel van de choreografie.

De smaak van dans

Het publiek hoort ook tot het weefsel van de voorstelling.  En natuurlijk draagt het  ook een verantwoordelijkheid. Elke kijker is verantwoordelijk voor zijn eigen voorstelling. Hoe je kijkt, wat je er in investeert, krijg je ook terug. Als je op een slechte manier in een voorstelling zit, dan krijg je een slechte voorstelling, daar ben ik van overtuigd.  Er is een wisselwerking.

Het zou mooi zijn als je tegen je publiek kon zeggen: laat jezelf in de vestiaire en sta open voor wat er gebeurt als je de zaal binnenkomt. Dat is de basispremisse. Dat is wat ik vraag van het publiek: kijk en luister alsjeblieft. Nog niet denken of oordelen, eerst kijken en luisteren en dan kunnen de gedachten komen, en de associaties en de ervaring. Het is hetzelfde als in een goed restaurant, je moet proeven, anders gaat de sensatie aan je voorbij.  Als je het beste gerecht voorgeschoteld krijgt, maar je eet zonder je te concentreren, of zonder je open te stellen voor de sensaties van de smaak, ja, dan gaat de ervaring verloren. Het  eerste kwartier in mijn werk dient daarom, onbewust vaak, als focustijd. Dat aankomen in de voorstelling dient om zelf op verhaal te komen maar ook om het publiek toe te laten om af te stemmen op wat er staat te gebeuren. Als je als kijker die connectie niet vindt denk ik dat het verschrikkelijk moet zijn werk als het mijne uit te zitten (lacht).

Interview door Lieve Dierckx, Concertgebouwcahier: Dans in Vlaanderen, 2009